Na uitdrukkingen van moeten, willen, voelen en twijfel, meestal na que. Il faut que tu viennes. (Je moet komen.) Je veux qu'il parte. (Ik wil dat hij vertrekt.)
Zo maak je het
Stam van ils in de présent (zonder -ent) + e, es, e, ions, iez, ent. Ils finissent → que je finisse.
Valkuilen
Het Nederlands heeft deze wijs niet meer, dus je moet de signaalwoorden leren: il faut que, vouloir que, avant que, pour que, bien que, en gevoelens zoals être content que.
Na je pense que en espérer que gebruik je géén subjonctif.
Veel vaak gebruikte werkwoorden zijn onregelmatig: que je sois, que j'aie, que j'aille, que je fasse, que je puisse, que je sache, que je veuille.